Jelle Mensonides zette de modelparameters van een reeks kwartaalsets naast elkaar en zag twee sprongen die DNB niet toelicht. Bob Galesloot wees op een rekenstap die anders moest, en Jelle paste zijn analyse openlijk aan. Wat overbleef is een terechte vraag: welk deel van een kwartaalverschuiving komt uit de markt, en welk deel uit de herschatting van het model zelf?
Wie doet wat.
Of een parameter in een scenarioset plausibel is, is een actuarieel oordeel. Daar blijf ik vanaf.
Dat dat oordeel elk kwartaal op dezelfde manier gevoed wordt, met dezelfde controles, dezelfde maatmensen, dezelfde vergelijking met het vorige kwartaal en vastgelegde bronbestanden, is procesinrichting. Dat is mijn vak. Eén analyse is vakwerk; dezelfde analyse elk kwartaal herhaalbaar draaien, voor meerdere regelingen, is een ander soort werk.
Laag 1: klopt de set met de specificatie?
De Commissie Parameters heeft in haar advies van 2022 een paar ankers vastgelegd waar elke kwartaalset aan moet voldoen. Al het andere schat DNB elk kwartaal opnieuw op marktdata. Die ankers zijn na te rekenen uit de parameters die DNB bij elke set meelevert. Dat doe ik nu elk kwartaal als eerste stap. Bij een afwijking geeft de controle een foutstatus, en de kwartaalprocedure schrijft voor dan niet verder te verwerken.
| Anker uit het advies | Doel | Uitkomst in 8 sets |
|---|---|---|
| Aandelenrendement lange termijn, bruto zoals DNB het levert (vóór 20 basispunten kosten) | 5,4% | 5,4000% |
| Idem netto, na 20 basispunten kosten (het anker in het advies) | 5,2% | 5,2000% |
| Inflatie lange termijn | 2,0% | 2,0000% |
| Nominale 10-jaarsrente over 60 jaar | 2,0% | 1,9999 tot 2,0001% |
| Reële 10-jaarsrente over 60 jaar | 0,0% | -0,0001 tot 0,0001% |
De vier ankers die ik toets, liggen in alle acht sets van 2025Q1 tot en met 2026Q4 binnen de tolerantie die ik zelf heb gekozen (0,001 procentpunt); de grootste afwijking is 0,00015 procentpunt. Dat is een gedeeltelijke consistentietoets, geen oordeel over de hele methode: het vijfde anker, de UFR, toets ik nog niet, want daarvoor is de marktcurve op de kalibratiedatum nodig, en de modelimplementatie zelf toets ik niet. Bij het aandelenrendement levert DNB het bruto rendement van 5,4%; het advies legt het anker netto vast op 5,2%. Die vertaling met een vaste aftrek van 20 basispunten heb ik als aanname vastgelegd, en die laat ik actuarieel bevestigen. Om te bewijzen dat de controle ook echt iets vangt, verstoort een zelftest bewust één parameter; die afwijking wordt gezien.
Laag 2: wat veranderde, en zegt DNB dat ook?
De tweede stap zet de markt naast het model. Markt is waar de set mee begint: de rente, de inflatie en de volatiliteit van dat moment. Model is onder meer de terugkeermatrix: hoe afwijkingen van rente, inflatie en volatiliteit samen terugkeren naar hun gemiddelde. Die matrix is gekoppeld en heeft drie componenten. Per component druk ik de snelheid uit als halfwaardetijd: na hoeveel jaar de helft van een afwijking in die component verdwenen is. Het is een signaal over de modeldynamiek, geen afzonderlijke halfwaardetijd voor rente of voor inflatie.
| Set | Halfwaardetijd, traagste component | Halfwaardetijd, middelste component | Startrente |
|---|---|---|---|
| 2025Q1 | 5,0 jaar | 1,7 jaar | 0,06% |
| 2025Q2 | 3,3 jaar | 0,7 jaar | 1,31% |
| 2025Q3 tot en met 2026Q1 | 3,7 jaar | 0,7 jaar | 1,1 tot 1,5% |
| 2026Q2 | 4,4 jaar | 0,8 jaar | 2,36% |
| 2026Q3 | 6,6 jaar | 1,7 jaar | 1,12% |
| 2026Q4 | 6,4 jaar | 0,7 jaar | 1,94% |
Mijn halfwaardetijden komen overeen met de reeks die Jelle publiceerde. De controle signaleert elke verandering van een kwart of meer in een component, een grens die ik zelf heb gekozen: in 2025Q2, in 2026Q3 en in 2026Q4.
DNB zet bij elke set een eigen toelichting op de veranderingen. Die heb ik voor alle acht sets gelezen. Ze verklaren de verschuiving vooral uit marktdata: de rentecurve, de geïmpliceerde volatiliteit van opties en nieuwe CPB-ramingen. De terugkeermatrix wordt in geen van die toelichtingen afzonderlijk besproken. Wel noemt DNB wijzigingen in de data. In 2025Q2 spreekt de toelichting voor het eerst over zero-coupon-inflatiecaps, waar het kwartaal ervoor jaar-op-jaar-caps noemde. In 2026Q2 meldt DNB een overstap naar een nieuwe ECB-inflatiereeks voor de volledige kalibratie, omdat de oude niet meer wordt bijgewerkt; volgens DNB is die vrijwel identiek aan de oude. En in 2026Q4 staat in een voetnoot dat de databron voor inflatieopties is gewisseld. Of dit de sprongen verklaart, weet ik niet. Dat is een vraag voor DNB en voor actuarissen, en die vraag ligt nu klaar in plaats van dat iemand hem achteraf moet ontdekken.
Laag 3: waar komt de beweging van een deelnemer vandaan?
De derde stap gaat terug naar wat een deelnemer ziet. Per maatmens splits ik de beweging van het pensioen in drie delen: het opgebouwde kapitaal, de inkoopprijs van de uitkering op pensioendatum, en een restpost. Hieronder de wissel van 2026Q3 naar 2026Q4, voor het verwachte nominale jaarpensioen. De sterftetafel is aan beide kanten gelijk gehouden, zodat alleen de scenarioset verschilt.
| Maatmens | Beweging pensioen | Uit kapitaal | Uit inkoopprijs | Overig |
|---|---|---|---|---|
| Starter (25 jaar) | +1,7% | +1,4% | +0,6% | -0,2% |
| Midloopbaan (40 jaar) | +3,4% | +3,2% | +0,9% | -0,7% |
| Latere loopbaan (55 jaar) | +3,2% | +3,5% | -0,2% | -0,1% |
| Bijna pensioen (65 jaar) | +3,0% | +3,4% | +0,2% | -0,6% |
De kolom Overig is de sluitpost van deze verklarende uitsplitsing: wat kapitaal en inkoopprijs samen doen in hetzelfde scenario, plus het effect van verschuivende verdelingen. Het is geen afzonderlijk gemeten effect. De delen tellen op in logpunten; afgeronde procenten tellen alleen bij benadering op.
In deze uitsplitsing zit de stijging van het verwachte pensioen vooral in het kapitaal. Dat past bij de markt: de rente bij de start lag in 2026Q4 0,8 procentpunt hoger, en voor iemand die bijna met pensioen gaat ligt het verwachte obligatierendement in de nieuwe set op 4,8 procent per jaar tegen 3,1 procent in de vorige. De inkoopprijs beweegt nauwelijks. Dat is een plausibele duiding, geen geïsoleerde oorzaak: tussen twee sets veranderen marktgegevens en modelparameters tegelijk.
Het beeld als het tegenzit beweegt anders. Voor de starter daalt dat bedrag met 5,1 procent, voor de midloopbaan met 3,8 procent, terwijl het verwachte bedrag stijgt. Dat past bij de bredere spreiding van de nieuwe set. Met deze vergelijking kan ik nog niet bepalen welk deel door veranderde marktgegevens komt en welk deel door de herkalibratie van het model. Daarvoor is een aparte tegenfeitelijke berekening nodig.
De bewegingen in deze tabel komen uit de uitsplitsing, die per maatmens rechtstreeks rekent. De URM-rekentabellen interpoleren tussen rasterpunten; de beweging van het verwachte pensioen verschilt tussen beide hooguit 0,14 procentpunt.
Wat de discussie opleverde
Voor deze week kon ik een kwartaalverschuiving beschrijven. Nu kan ik hem herleiden: eerst de toets of de set zelf klopt, dan wat er in markt en model veranderde en of DNB dat zelf benoemt, dan wat dat betekent voor vier vaste deelnemers. Alle drie draaien vast mee in de kwartaalroutine, met de bronbestanden vastgelegd per kwartaal. Een tegenlezing van deze controles heeft ze al aangescherpt; die correcties staan in deze versie. Het oordeel blijft bij de actuaris. Die krijgt nu wel elk kwartaal hetzelfde pakket, in plaats van te moeten zoeken.
Dat is volgens mij waar de Wtp-uitvoering de komende jaren op schaal tegenaan loopt. Elke nieuwe set kan het beeld van elke deelnemer verschuiven, en de AFM vraagt dat een uitvoerder kan toelichten waarom bedragen zijn veranderd. Openbare discussies als deze zijn daarbij goud waard: ze laten zien welke vragen er gesteld gaan worden, en dus welke antwoorden al klaar moeten liggen.
Vier van de vijf vaste ankers in acht sets, de halfwaardetijden per kwartaal, de toelichting van DNB per set en de uitsplitsing van de maatmensbeweging van 2026Q3 naar 2026Q4, gecontroleerd tegen de rekentabellen.
Waarom de terugkeersnelheid in 2025Q2 en 2026Q3 zo sprong. Of het UFR-anker uitkomt. Hoe de waarderingsscenario's zich tot deze sets verhouden. En wat een actuaris anders zou meten of formuleren dan ik hier doe.
Meelezen en tegenspreken
Ik ben business analist en pensioenspecialist, geen actuaris. Daarom leg ik dit voor aan vakgenoten. Zie je een controle die ontbreekt, of een uitsplitsing die je anders zou maken? Reageer onder dit stuk, in de PensioenNetwerk Groep of per mail.
Kwartaalrapportage en eerdere meting
De voorbeeld-kwartaalrapportage 2026Q4 en de praktijknotitie over het aantal scenario's staan op urm-rekentabellen.nl. De drie lagen uit dit stuk komen vanaf de volgende set in de kwartaalrapportage.
Naar urm-rekentabellen.nl Reageer per mailBronnen en afbakening
- Advies Commissie Parameters 2022: bruto en netto aandelenrendement (p. 34), de vaste ankers (p. 66), herkalibratie per kwartaal en de keuze van data en instrumenten (p. 64, 65 en 81).
- Technische bijlage bij het model CP2022: de formules achter de ankers, waaronder vergelijking (41).
- DNB, "DNB publiceert definitieve scenariosets bij Wet toekomst pensioenen": de sets van 2025Q1 tot en met 2026Q4, met per set de toelichting op de veranderingen.
- AFM, "Scenariobedragen": toelichting bij veranderde bedragen.
- Jelle Mensonides, "DNB scenarioset, enkele bijzondere uitkomsten" (LinkedIn, 22 oktober 2026), met de reactie van Bob Galesloot en Jelles aanpassing in de discussie eronder.
- Bob Galesloot, "Nieuwe scenarioset wijzigt transitie-effecten sterk" (LinkedIn, oktober 2026), over het verslag van het Platform Pensioentransitie.
Het fonds is fictief, de bedragen zijn indicatief en de tabellen hebben de status concept tot actuariële vrijgave. Gerekend met alle 20.000 scenario's van de openbare P-sets. Dit stuk beschrijft uitkomsten en werkwijze, niet de rekenstraat zelf. De lezing is die van een business analist, geen actuarieel oordeel.