Elk kwartaal maak ik URM-rekentabellen uit de nieuwe DNB-scenarioset: de tabellen achter het beeld "als het tegenzit, verwacht, als het meezit" dat een deelnemer te zien krijgt. Ik doe dat met alle 20.000 scenario's uit de set. De markt rekent, naar wat ik hoor, meestal met de eerste 2.000. Dat mag: 2.000 is het wettelijk toegestane minimum voor de communicatieberekening. De vraag is wat die keuze doet met het bedrag dat een deelnemer ziet.
Drie dingen houd ik uit elkaar.
Inhoudelijke verandering: rente, inflatie, sterftetafel, lifecycle, regeling. Dan hoort het pensioenbeeld te bewegen, en kun je uitleggen waarom.
Simulatieruis: het toeval dat in een uitkomst zit doordat je met een eindig aantal getrokken scenario's rekent. DNB gebruikt die term zelf en noemt simulatieruis "per definitie aanwezig bij het gebruik van een eindig aantal scenario's".
Deelnemerscommunicatie: wat er op het UPO en op mijnpensioenoverzicht.nl staat, en of een verandering daar uit te leggen is. Dit stuk gaat over de tweede soort verandering en wat die betekent voor de derde.
Wat ik heb gemeten
Dezelfde rekenstraat, dezelfde fictieve flexibele regeling, vier DNB-kwartaalsets: 2025Q4 tot en met 2026Q3. Per kwartaal twee keer gerekend: met de eerste 2.000 scenario's, zoals DNB voorschrijft wanneer met minder dan de hele set wordt gerekend, en met alle 20.000. Daarbovenop vijf proeven.
- Elke 20.000-set in tien blokken van 2.000 gehakt en elk blok als eigen set doorgerekend. Alleen blok 1, de eerste 2.000, is de voorgeschreven selectie; de andere negen zijn statistische testblokken die laten zien hoe groot de simulatieruis bij 2.000 is.
- Vier vaste maatmensen op elke set doorgerekend: starter van 25, midloopbaan van 40, latere loopbaan van 55, bijna pensioen op 65.
- Per kwartaal de afwijking van de eerste 2.000 tegenover de 20.000 gevolgd, om te zien of die afwijking tussen kwartalen dezelfde blijft.
- De standaardfoutformule uit de toelichting bij de DNB-set (formule 7) op dezelfde cellen toegepast, als tweede meetlat naast de blokproef.
- Dezelfde scenario's met de nieuwe sterftetafel AG2026, als voorbeeld van een inhoudelijke wijziging.
Wat eruit kwam
Tien testblokken, tien antwoorden. Uit de 2026Q3-set, nominaal jaarpensioen, verschil tussen het hoogste en laagste blok ten opzichte van de uitkomst met alle 20.000:
| Maatmens | Alle 20.000 | Eerste 2.000 | Laagste blok | Hoogste blok | Spreiding |
|---|---|---|---|---|---|
| Starter, verwacht | € 12.897 | € 12.901 | € 12.705 | € 13.140 | 3,4% |
| Starter, als het tegenzit | € 5.943 | € 5.731 | € 5.692 | € 6.213 | 8,8% |
| Midloopbaan, verwacht | € 19.960 | € 20.114 | € 19.390 | € 20.194 | 4,0% |
| Bijna pensioen, verwacht | € 23.042 | € 22.936 | € 22.936 | € 23.122 | 0,8% |
Voor een jonge deelnemer hangt het verwachte pensioen dus voor 3 tot 4 procent af van welk blok van 2.000 je neemt, en het slechtweerbedrag voor bijna 9 procent. Dezelfde economie, dezelfde regeling, een ander deel van dezelfde set. Ter vergelijking: de gemiddelde beweging van het verwachte bedrag tussen twee opeenvolgende kwartalen lag in de drie onderzochte paren tussen 0,5 en 1,7 procent.
Bij viermaal zoveel scenario's halveert de ruis, en de formule uit de DNB-toelichting zegt hetzelfde. Gemeten over 36 tabelcellen en vier kwartalen is de spreiding tussen blokken op het slechtweerbedrag 2,1 procent bij 2.000 scenario's en 0,9 procent bij 10.000. Formule 7 komt bij 2.000 op 2,0 procent en bij 20.000 op 0,6 procent. In deze proef is de simulatieruis bij 20.000 dus circa drie keer kleiner dan bij 2.000, bij alle negen onderzochte percentielen. Dat is een consistentiecontrole, geen onafhankelijke validatie: de blokken zijn delen van dezelfde set. En meer scenario's halen de ruis niet weg; ook 20.000 en 100.000 zijn eindige sets.
Tussen kwartalen blijft de afwijking van de eerste 2.000 meestal grotendeels gelijk, maar niet altijd. Van 2025Q4 naar 2026Q1 en van Q1 naar Q2 was de afwijking per cel sterk gecorreleerd (0,88 en 0,81): wat er in het niveau zit, valt in de kwartaalbeweging grotendeels tegen zichzelf weg. Van Q2 naar Q3 zakte de correlatie naar 0,26, en op het slechtweerbedrag naar nul. Toen kwam de ruis in de kwartaalbeweging terecht: gemiddeld 2 procent op het slechtweerbedrag, in de uitschieter 13 procent. Waardoor dat gebeurde, weet ik niet; als werkhypothese houd ik het op een grotere aanpassing van de set in dat kwartaal.
De combinatiefactor wordt nauwelijks rustiger. Onder de rangregel hoort de combinatiefactor bij het ene scenario dat op de rang ligt, en twee scenario's die in bedrag naast elkaar liggen kunnen heel verschillende rentepaden hebben. De spreiding tussen blokken is 8 tot 10 procent bij blokken tot 4.000 en 6 tot 8 procent bij 10.000: veel minder afname dan bij het bedrag.
Een inhoudelijke wijziging komt bij beide groottes gelijk door. Met de sterftetafel AG2026 in plaats van AG2024 gaan de bedragen bij 2.000 en bij 20.000 allebei ongeveer 1,07 procent omhoog, op vrijwel elke cel hetzelfde. Het aantal scenario's raakt de simulatieruis, niet de inhoud.
Wat ik ervan vind
Mijn punt is niet dat 2.000 fout is of dat 20.000 beter is. Mijn punt is dat het een keuze is die je bewust moet maken. DNB zegt dat zelf: de keuze voor het aantal scenario's, gegeven het wettelijk minimum, is de verantwoordelijkheid van sociale partners en pensioenuitvoerders. De Commissie Parameters adviseert om bij het gebruik van scenariosets de standaardfout te berekenen om de simulatieruis in beeld te brengen. En de AFM vraagt dat scenariobedragen correct en reproduceerbaar zijn, en dat een uitvoerder kan toelichten waarom bedragen zijn veranderd ten opzichte van de vorige weergave. Een verandering die uit de steekproef komt, is niet inhoudelijk toe te lichten.
Mijn aanbeveling voor de governance, geen eis uit wet of toezicht: leg het gekozen aantal scenario's vast met de reden erbij, bereken de standaardfout zodat je weet hoeveel ruis je accepteert, en laat de actuaris van het fonds die keuze meenemen in de vrijgave. Rekentijd, aansluiting op de markt of op de keten kunnen goede redenen zijn om bij 2.000 te blijven. Dan is het een keuze, geen gewoonte.
Eén kanttekening leg ik als open vraag bij de sector neer. Alle uitvoerders gebruiken dezelfde methode en bedragen van verschillende uitvoerders staan naast elkaar op mijnpensioenoverzicht.nl. Als bij overigens gelijke grondslagen alleen het aantal scenario's verschilt, hoeveel extra verschil is dan aanvaardbaar? Ik heb daar geen antwoord op.
De spreiding tussen testblokken bij 500 tot 10.000 scenario's, de standaardfout volgens formule 7 bij 2.000 en 20.000, de persistentie van de afwijking van de eerste 2.000, de combinatiefactor en het effect van AG2026. Alles op 36 cellen en vier kwartalen, na te rekenen met het controlepakket.
Of pakketten en bureaus bij 20.000 dezelfde rangen hanteren als formule 6 uit de DNB-toelichting. Waardoor de afwijking in sommige kwartalen sterk verandert. Hoeveel verschil tussen uitvoerders de sector accepteert. En wat een actuaris anders zou meten of formuleren dan ik hier doe.
Controle vooraf: de set van 2026Q4
Half oktober publiceert DNB de volgende set. Om te laten zien dat dit geen toeval van twee kwartalen is, ligt mijn verwachting nu vast, met de meetlat erbij: eerst de indeling van het kwartaal op een objectieve maat, daarna banden voor de ruis in de kwartaalbeweging, de spreiding tussen de testblokken en de standaardfout bij 20.000. Valt een uitkomst buiten zijn band, dan klopt mijn verwachting niet en staat dat zo in versie 1.0. Het is een vooraf vastgelegde werkhypothese, geen toets van hoe DNB de set maakt.
Meelezen en tegenspreken
Ik ben business analist en pensioenspecialist, geen actuaris. Daarom leg ik dit voor aan vakgenoten: actuarissen, communicatieprofessionals, uitvoerders en fondsbesturen. De vijf open vragen staan bij de notitie. Reageer hier onder dit stuk, in de PensioenNetwerk Groep of per mail. Wie heeft meegelezen wordt in versie 1.0 genoemd, uitsluitend na akkoord.
De notitie en het controlepakket
Op urm-rekentabellen.nl staat de praktijknotitie (pdf, zeven pagina's) met het controlepakket: per scenario de uitkomst van de onderzochte cellen voor vier kwartalen en een script van honderd regels dat elke tabel nareekent. Alleen Python nodig. De complete tabellensets zijn op aanvraag beschikbaar.
Notitie en controlepakket Reageer per mailBronnen en afbakening
- DNB, "DNB publiceert definitieve scenariosets bij Wet toekomst pensioenen": simulatieruis, het minimum van 2.000 voor communicatie, de eerste scenario's van de set, en de verantwoordelijkheid voor het aantal scenario's.
- DNB, "Model en modelparameters onderliggend aan scenarioset": het advies van de Commissie Parameters uit 2019 om 10.000 scenario's te gebruiken in plaats van 2.000.
- AFM, "Scenariobedragen": correct en reproduceerbaar, externe validatie, audit trail, toelichting bij veranderde bedragen.
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 14a lid 3, en de toelichting in de DNB-werkmap bij de scenarioset (formules 6 en 7).
Het fonds is fictief, de bedragen zijn indicatief en de sets hebben de status concept. De notitie beschrijft uitkomsten, niet de rekenstraat. De lezing is die van een business analist, geen actuarieel oordeel. Alle citaten staan letterlijk in de bronnenlijst in het controlepakket.